Wat te doen bij handhaving wegens constructieve onveiligheid?

Asselbergs & Klinkhamer
gaat zorgvuldig met uw privacy om.

Onze website maakt gebruik van cookies. Deze cookies zijn er om de website goed te laten functioneren en om statistieken te verzamelen aan de hand waarvan de website kan worden verbeterd.

Op 31 mei 2018 zond Minister Ollongren een brief aan de Tweede Kamer over het onderzoek naar de veiligheid van bouwwerken met breedplaatvloeren. Zoals bekend is op 27 mei 2017 de in aanbouw zijnde parkeergarage op Eindhoven Airport gedeeltelijk ingestort. De minister schrijft dat enkele honderden bouwwerken vergelijkbare vloeren hebben. Bij een deel van die bouwwerken zijn direct maatregelen nodig. Indien dat niet voortvarend wordt opgepakt, ligt het voor de hand dat gemeenten handhavend gaan optreden. Er bestaat wel veel onduidelijkheid over de handhaving bij constructieve onveiligheid. In dit blog zet ik uiteen in hoeverre gemeenten kunnen handhaven.

Juiste grondslag voor handhaving

Gemeenten kunnen op grond van artikel 1b Woningwet handhaven als een bouwwerk niet voldoet aan het Bouwbesluit 2012. Het Bouwbesluit 2012 bevat regels over constructieve veiligheid. Ten onrechte handhaven gemeenten bij constructieve veiligheid nog wel eens op grond van artikel 1a Woningwet. Laatstgenoemde bepaling gaat over gevaarzetting en mag alleen als vangnet worden gebruikt als de gemeente geen andere handhavingsgrondslag heeft.

Het maakt zeker verschil wat de grondslag voor handhaving is. Als de gemeente handhaaft op grond van artikel 1a Woningwet dan hoeft ze alleen aan te tonen dat sprake is van gevaar. Bij handhaving op grond van artikel 1b Woningwet moet de gemeente aantonen met welke bepaling uit het Bouwbesluit 2012 het bouwwerk in strijd is. Als in die bepaling wordt verwezen naar een NEN-norm dan moet de gemeente aantonen dat het bouwwerk in strijd is met die norm. Dat is voor de gemeente niet altijd eenvoudig aan te tonen. Daarom handhaaft ze ook vaak ten onrechte op grond van artikel 1a Woningwet. Bovendien heeft artikel 1b Woningwet nog een belangrijke waarborg; de nieuwbouwvoorschriften kunnen niet altijd kunnen worden gehandhaafd.

Niet handhaven nieuwbouwvoorschriften bij bouw overeenkomstig de vergunning

De gemeente moet bij vergunningverlening toetsen of een bouwplan voldoet aan de nieuwbouwvoorschriften uit het Bouwbesluit 2012. Als je dan overeenkomstig de verleende omgevingsvergunning bouwt, dan mag de gemeente niet de nieuwbouwvoorschriften handhaven. Dat volgt uit artikel 1b leden 1 en 4 Woningwet. De gemeente had dan immers de omgevingsvergunning niet moeten verlenen. Overigens bestaat onduidelijkheid over hoe lang een gemeente de nieuwbouwvoorschriften mag handhaven. Daarom heb ik in het verleden voorgesteld dat wordt vastgelegd hoe lang gemeenten dat mogen. De voorschriften voor bestaande bouw zijn minder streng. Die voorschriften mag de gemeente in beginsel altijd handhaven. Ook als het vergunde bouwplan in strijd is met die voorschriften.

Handhaven tegen eigenaren

In artikel 1b Woningwet staat niet tegen wie de gemeente kan handhaven. Veelal beschouwt de gemeente de eigenaar als overtreder. Ik kan mij voorstellen dat dit vreemd voelt als de eigenaar geen enkel verwijt valt te maken. De eigenaar heeft veelal ontwerpers ingeschakeld om het bouwplan te ontwerpen en een aannemer om het bouwwerk te realiseren. Als niet-professionele partij valt hem weinig te verwijten. Bij artikel 1a Woningwet staat overigens wel expliciet vermeld dat de gemeente tegen de eigenaar kan handhaven bij gevaarzetting. Dit staat los van eventuele verhaalsmogelijkheden van de eigenaar op zijn ontwerper of aannemer.

Fotocredits: Syda Productions / Adobe Stock

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.