Interview met Jolanda Broeders over de rekenrente in letselschadezaken - Asselbergs & Klinkhamer advocaten

Asselbergs & Klinkhamer
gaat zorgvuldig met uw privacy om.

Onze website maakt gebruik van cookies. Deze cookies zijn er om de website goed te laten functioneren en om statistieken te verzamelen aan de hand waarvan de website kan worden verbeterd.

Op 9 juli 2019 deed de rechtbank Zeeland-West-Brabant een baanbrekende uitspraak over rekenrente in letselschadezaken. Jolanda Broeders van A&K stond in deze zaak in de (deelgeschil)procedure het slachtoffer bij. Tijd voor een interview met Jolanda.

De feiten

“In deze zaak draait het om een meisje van destijds 13 jaar oud. Zij werd begin 2012 tijdens het hardlopen met hoge snelheid van achteren aangereden door een personenauto. Door dit ongeval heeft zij ernstig lichamelijk en geestelijk letsel opgelopen, waardoor zij de rest van haar leven klachten en beperkingen zal houden. Ze zat ten tijde van het ongeval op de havo en wilde dierenartsassistente worden. Door het ongeval zal zij dit beroep nooit kunnen uitoefenen. Wel voltooide zij met grote wilskracht het vmbo-t en een MBO-opleiding tot financieel administratief medewerker. Op dit moment werkt zij 3 dagdelen per week op een zorgboerderij, voor haar het maximaal haalbare. Maar eigenlijk is ze volledig arbeidsongeschikt. Ze ontvangt dan ook een Wajong-uitkering.

De verzekeraar van de bestuurder van de personenauto erkent aansprakelijkheid, maar in de onderhandelingen over het uit te keren bedrag ontstonden 2 discussiepunten, die ik op verzoek van een schaderegelingskantoor aan de rechter heb voorgelegd.”

De discussie

“Het eerste discussiepunt ging over arbeidsparticipatie. Volgens de verzekeraar zou het slachtoffer, als het ongeluk niet zou zijn gebeurd, in de toekomst parttime zijn gaan werken op het moment dat zij een gezin zou krijgen. Daarom zou de schadevergoeding gematigd moeten worden. De rechter is gelukkig niet meegegaan in dit standpunt. De rechter hechtte meer waarde aan cijfers van het CBS, waaruit blijkt dat de meerderheid van de Nederlandse beroepsbevolking fulltime werkt. Bovendien heeft het meisje volgens de rechter ook na het ongeluk zoveel doorzettingsvermogen, ambitie en een prestatiegerichte werkhouding getoond, dat ervan uit gegaan kan worden dat zij zonder ongeval fulltime zou hebben gewerkt.

Daarnaast ging de discussie over de rekenrente. Verzekeraars kunnen de schadevergoeding, bijvoorbeeld voor het verlies aan inkomsten of voor het inhuren van huishoudelijke hulp, periodiek uitbetalen. Maar vaak willen slachtoffers met ernstig letsel liever een bedrag ineens ontvangen, omdat zij niet steeds geconfronteerd willen worden met de verzekeraar, het ongeluk en de gevolgen daarvan. Bij het bepalen van de hoogte van zo’n bedrag spelen een aantal factoren een rol, waaronder de te verwachten rente en inflatie. Het saldo tussen die percentages noemen we rekenrente. Hoe hoger de rekenrente, hoe lager het uit te keren bedrag.”

Hoe werkt rekenrente precies?

“Stel, je hebt gedurende 20 jaar ieder jaar € 5.000 schade, dan krijg je niet 20 keer € 5.000, ofwel € 100.000. We gaan er namelijk vanuit dat het bedrag dat je bijvoorbeeld pas over 15 jaar nodig hebt – de jaarschade van € 5.000 – eerst nog 14 jaar op de bank staat en dus 14 jaar rente oplevert. Een verzekeraar hoeft dus wat minder te betalen dan die € 100.000. Aan de andere kant zorgt de inflatie ervoor dat het bedrag weer iets wordt verhoogd.

Nu is de hoogte van de rekenrente al jaren punt van discussie. Veel verzekeraars en rechters gaan uit van een rekenrente van 2,2 tot 3%. Dat percentage van 3% komt voort uit een rechterlijke uitspraak uit 1988. Bij die percentages gaan zij uit van een rentepercentage tussen 4 en 6% en een inflatiepercentage tussen 2 en 3%. Maar met name die hoge rentepercentages worden al vele jaren niet meer gehaald. Dat betekent dat de gebruikte rekenrente eigenlijk te hoog is, waardoor slachtoffers in de toekomst veel geld tekort komen.

Tijdens de onderhandelingen en (later) in de rechtszaak zijn, onder meer door mij, 2 alternatieven ingebracht. Een conceptrichtlijn van de Letselschade Raad en een deskundigenrapport van een rekenkundig expert, Erik Jan Bakker. In die alternatieven is beredeneerd waarom een lagere rekenrente reëler zou zijn. Daarbij worden percentages genoemd tussen -1 en 2%. Nu lijkt het verschil tussen de gehanteerde percentages niet groot, maar in de praktijk gaat het echt om enorme bedragen. De moeite waard om voor te vechten dus.”

De uitspraak

“In de uitspraak heeft de rechter, als eerste in Nederland, aansluiting gezocht bij de conceptrichtlijn van de Letselschade Raad. In deze zaak betekent dat concrete rekenrentepercentages van -0,2% in de eerste 5 jaar, 0,6% in de daaropvolgende 15 jaar en 1,7% voor de daaropvolgende jaren. Een stuk lager dus dan die 3%.”

De toekomst met de rekenrente

“Voor slachtoffers en nabestaanden is deze uitspraak echt een enorme doorbraak. Nogmaals, de verschillen in percentages lijken niet groot, maar de bedragen die daarmee samenhangen wel. Begrijp me goed, het is echt niet onze bedoeling om verzekeraars uit te kleden, maar we strijden er wel voor dat slachtoffers en nabestaanden in voldoende mate gecompenseerd worden voor de schade die zij lijden door een ongeval of een medische fout.

Ik hoop dan ook dat in de toekomst meer rechters, ook elders in het land, om zullen gaan en deze lagere rekenrente zullen gaan gebruiken. Normaal heeft het echt de voorkeur om in onderling overleg met de verzekeraar tot een oplossing te komen want een rechtszaak brengt veel emoties met zich mee. Maar gezien de belangen die op het spel staan bij rekenrente zullen we waarschijnlijk nog wel vaker naar de rechter moeten gaan.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.