Curator, geef mijn geld terug!

Asselbergs & Klinkhamer
gaat zorgvuldig met uw privacy om.

Onze website maakt gebruik van cookies. Deze cookies zijn er om de website goed te laten functioneren en om statistieken te verzamelen aan de hand waarvan de website kan worden verbeterd.

Het komt helaas nog vrij vaak voor dat een persoon of onderneming een geldbedrag per abuis overmaakt naar een rekeningnummer van een failliete onderneming, terwijl dit bedrag bestemd was voor een ander (bijvoorbeeld de doorstarter of een zustervennootschap van failliet).

De betaler zal zich in dat geval doorgaans beroepen op een onverschuldigde betaling als bedoeld in artikel 6:203 BW, met als doel het per abuis overgemaakte bedrag zo snel mogelijk terug te ontvangen van de curator. Het is de betaler immers overduidelijk dat hij een vergissing heeft gemaakt. Toch maakt een faillissement een en ander een stuk gecompliceerder.

Onverschuldigde betalingen vallen in de boedel

Artikel 20 van de Faillissementswet bepaalt dat alle betalingen die failliet gedurende het faillissement ontvangt in de boedel vallen. Ook de onverschuldigde betaling die na datum van het faillissement is verricht, valt derhalve in de boedel en levert ingevolge artikel 24 van de Faillissementswet voor de betaler alleen nog maar een boedelvordering op (een vordering die is ontstaan ten tijde van het faillissement). De Faillissementswet kent aan deze boedelvordering geen preferentie toe, zodat de betaler ook nog eens de boedelcrediteuren van een hogere rangorde (zoals de Belastingdienst en het UWV) voor zich dient te dulden. In de praktijk is het dus maar zeer de vraag of de betaler nog iets terugziet van het door hem per abuis betaalde bedrag.

Onmiskenbare vergissing

In het arrest Ontvanger/Hamm q.q. van 6 september 1997 ( NJ 1998/437) gaf de Hoge Raad op het voorgaande één uitzondering: de ‘onmiskenbare vergissing’. Indien daarvan sprake is, ontstaat er volgens de Hoge Raad een ‘superpreferentie’ voor de betaler en dient zijn vordering bij voorrang te worden uitbetaald. Hierbij dient de curator tevens voorbij te gaan aan de aanspraken van andere boedelcrediteuren. In alle andere gevallen dient de onverschuldigde betaler de afwikkeling van het faillissement af te wachten.

Als lezer zult u naar aanleiding van het voorgaande wellicht denken: “maar bij een onverschuldigde betaling is er toch altijd sprake van een (onmiskenbare) vergissing?”

In een later arrest van 8 juni 2007 heeft de Hoge Raad hierover meer duidelijkheid verschaft en nadere invulling gegeven aan het begrip ‘onmiskenbare vergissing’. De Hoge Raad oordeelde dat er maar in twee gevallen sprake is van zo’n onmiskenbare vergissing. Op de eerste plaats als er geen rechtsverhouding bestaat, en er ook nooit is geweest, tussen de betaler en failliet. In dat geval is het volgens de Hoge Raad voor alle betrokkenen duidelijk dat er sprake is van een vergissing. Op de tweede plaats kan er ook sprake zijn van een vergissing als er wél een rechtsverhouding is of bestond, maar het overduidelijk is dat die verhouding geen aanleiding voor de betreffende betaling kan hebben gegeven. Volgens de Hoge Raad doet dit laatste zich alleen voor wanneer dezelfde schuld per abuis twee keer wordt voldaan óf wanneer uit de betaling zelf zonder enige twijfel valt af te leiden dat deze berust op een verschrijving of andere vergissing.

Niet snel sprake van een onmiskenbare vergissing

Hoewel voornoemde arresten van de Hoge Raad alweer van enige tijd geleden zijn, heeft de Hoge Raad het voorgaande vrij recent nogmaals bevestigd in zijn arrest van 31 oktober 2014. De Hoge Raad bekrachtigde het oordeel van het Hof dat de betalingen van de betaler niet berustten op een onmiskenbare vergissing, omdat die betalingen voortvloeiden uit een rechtsverhouding tussen de betaler en failliet, die in ieder geval de curator (ook na enig onderzoek) aanleiding kon geven te veronderstellen dat (mogelijk) een rechtsgrond bestond voor de betalingen.

Met voornoemd arrest benadrukt de Hoge Raad nog maar eens, dat – in tegenstelling tot wat men over het algemeen denkt – er niet snel sprake zal zijn van een onmiskenbare vergissing. Immers, “een aanleiding om te veronderstellen dat er mogelijkerwijs een reden voor betaling was” is volgens de Hoge Raad al voldoende om te moeten concluderen dat er geen sprake is geweest van een vergissing. Het is aan de onverschuldigde betaler om de curator te overtuigen van het tegendeel en aannemelijk te maken dat er wel sprake is geweest van een vergissing.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.